EXPERTISE

Waar de verkiezingen niet over gingen, maar wel over hadden kunnen gaan

In de afgelopen maanden zijn de programma’s van de aan de verkiezingen deelnemende partijen uitgebreid geanalyseerd. Er zijn onderlinge vergelijkingen gemaakt van de standpunten. En is gezocht naar overeenkomsten en verschillen. Daarbij is vooral gekeken naar wat er in de programma’s staat. Maar er is nauwelijks aandacht besteed aan wat er niet in staat. En daar zit nou juist een interessant item in. De organisatie en financiën van het binnenlands bestuur waren nauwelijks een issue. Terwijl juist nu meer dan ooit van decentrale overheden meer inzet en slagkracht voor het stimuleren van de regionale economie gevraagd wordt. Zijn deze daartoe in staat? Een hebben deze ook de juiste instrumenten en financiële middelen daarvoor?

In het verleden was het gebruikelijk dat veel partijen zich bogen over de vraag of de waterschappen niet beter bij de provincies konden worden ondergebracht. Andere pleitten er juist voor om de provincies op te heffen. Ook de schaalgrootte van gemeenten was een regelmatig terugkerend onderwerp. Parallel daaraan werd ook regelmatig aandacht besteed aan de financiële verhoudingen. Er werden argumenten aangedragen om het lokale belastinggebied te vergroten, waardoor gemeenten meer op eigen financiële kracht functioneren.

Maar deze keer was de organisatie van het binnenlands bestuur en de daarbij behorende financiële verhouding een vrijwel afwezig onderwerp. En als er al tekst aan wordt gewijd dan is die heel voorzichtig en geeft nauwelijks inzicht in de mogelijke uitwerking. Wat wel veel terugkeert in de verkiezingsprogramma’s is aandacht voor de regio. Gemeenten zouden meer moeten samenwerken op regionaal niveau. Stimulering van de regionale economie is nodig. Krimpregio’s moeten extra middelen krijgen. Maar geen enkele partij legt het verband tussen het begrip regio en de bestuurlijke organisatie. Terwijl daar nou winst te boeken is. Waar Geelhoed al in 2003 constateerde dat het huis van Thorbecke was verworden tot een haveloos barakkenkamp, zal dat met het toevoegen van allerlei regionale samenwerkingsverbanden er niet beter op worden. Het vraagt om bezinning op de inrichting van ons binnenlands bestuur. Een analyse die vorig jaar gemaakt is door een studiegroep onder leiding van de secretaris-generaal van BZK naar de samenhang tussen economische groei en de bestuurlijke inrichting van ons land, legde opvallende verbanden bloot. Een interessant citaat uit het rapport is het volgende: “Arbeidsmarkt, ondernemen, onderwijsvoorzieningen, wonen, vervoer, ruimtelijke inrichting, uitvoering van collectieve voorzieningen: de werkelijkheid van alledag beperkt zich voor burgers, bedrijven en bestuurders niet tot één gemeente, maar doet zich op regionaal niveau met name voor in netwerken van grotere en kleinere steden en dikwijls in grensoverschrijdende context”. Het laat zien dat de inhoudelijke opgaven allang niet meer aansluiten bij de bestuurlijke schaal. En in plaats van dan weer allerlei nieuwe hulpstructuren in te richten is het beter om een keer een fundamentele stap te zetten. Dat zou natuurlijk kunnen met het in het leven roepen van deftige adviescommissies. Dan weten we zeker dat de discussie gewoon weer tien jaar gerekt wordt, zonder dat er iets gebeurt. We zouden ook kunnen overwegen om het mogelijk te maken om een regionaal bestuur in te richten, onder de voorwaarde dat dan een van de reeds bestaande schaalniveaus wordt opgeheven. Dat zouden gemeenten kunnen zijn, maar ook provincies. Die hoeven er niet allemaal hetzelfde uit te zien, als voldaan wordt aan democratische legitimatie en borging van integraliteit. Leg het initiatief voor zo’n operatie ook maar bij de decentrale overheden zelf. Geen blauwdrukken, maar ruimte voor regionaal maatwerk. Het eerder genoemde barakkenkamp kan dan getransformeerd worden tot een eigentijdse wijk met gedifferentieerde woonmilieus.

Vanzelfsprekend hoort daar ook bij dat nagedacht wordt over de wijze waarop een dergelijk regionaal bestuur gefinancierd wordt. Op dit moment is het Gemeentefonds met een omvang van ruim € 27 miljard veruit een van de grootste posten op de rijksbegroting. Tegelijkertijd is de omvang van het gemeentelijk belastinggebied met € 5 miljard bescheiden te noemen. Het is niet meer dan een vrije zoom in de financiële huishouding die gedomineerd wordt door rijksbijdragen. En die zijn vaak gebaseerd op criteria die te maken hebben met achterstanden. Hoeveel werklozen heeft een gemeente, hoe slecht is de bodem, hoe zwak is de sociale structuur, en zo zijn er meer dan honderd verdeelmaatstaven. Enigszins cynisch zou je kunnen stellen dat hoe zieliger een gemeente is, des te meer geld deze ontvangt. Maar je zou het ook kunnen omdraaien: als een gemeente goed presteert zou deze ook beloond moeten worden en daarvan de financiële vruchten moeten kunnen plukken. Wanneer we voor de inrichting van het binnenlands bestuur de inhoudelijke regionaal economische opgaven centraal stellen zou dat ook kunnen gelden voor de bijbehorende financiële organisatie. Maak die besturen veel meer zelf verantwoordelijk voor hun inkomsten door ze veel meer ruimte voor eigen belastingen te geven. De commissie Rinnooy-Kan heeft daarvoor in 2015 een aantal waardevolle voorstellen gedaan. Dan kan de omvang van het Gemeentefonds ook meteen omlaag. Wanneer de regionaal economische structuur versterkt wordt en bedrijvigheid en werkgelegenheid groeit, dan nemen ook de inkomsten toe. Juist door daar ook verschil in te maken zou Nederland er op macro-niveau wel eens veel meer op vooruit kunnen gaan. Stop met het vasthouden aan oude instituties waar gelijkheid het leidende principe is. Maak het regionaal bezuur zodanig flexibel dat het overheden die boven het maaiveld uitkomen daarvoor beloond worden.

Het lijkt een gemiste kans dat de deelnemers aan de verkiezingen hier zo weinig oog voor hebben gehad. Misschien iets voor de formateur?

Door: Viek Verdult (viek.verdult@ecorys.com)